WOORDEN VAN FRANCISCUS EN CLARA:
Vrees de Heer en geef Hem eer.

DEKEN ROESSTRAAT 13
3581 RX UTRECHT
T 030 232 40 80
F 030 232 40 81
E PROVINCIALAAT@FRANCISCANEN.NL

Interviews

 

Voor broeder Hans van Bemmel is Kerstmis 2007 vooral dat er vrede komt in de Surinamestraat: Bron: Delft Op Zondag, 23 december 2007, bladzijde 23.

zie ook www.rkstadsdiaconaatdelft.nl

zie ook www.m25delft.nl

DELFT – Het is er de tijd van het jaar voor. De Kerstdagen. Oud en Nieuw. En dan is het nog ijzig koud ook. Dus is het geen wonder dat de aandacht, veel meer dan gewoonlijk, uitgaat naar dak- en thuislozen, naar verslaafden, naar wie het allerminst breed heeft. Broeder Hans van Bemmel heeft het er sowieso al druk mee.

Hans van BemmelHans van Bemmel laat geen misverstand bestaan over zijn drijfveer: “Als je de Bijbel goed leest, kiest Jezus altijd partij voor de minder bedeelden, voor de armen. Daarom wilde Franciscus Jezus volgen. In alles. En daarom vind ik de weg, die ik met Jezus en Franciscus ga, zo mooi”. Pastor van Bemmel, nee, hij is géén priester, zet zich nadrukkelijk en welgemoed in voor de Delftenaren die het ‘minder’ hebben. Een korte functie- omschrijving spreekt in dat opzicht boekdelen. “Mijn eerste taak is natuurlijk de verkondiging. Daarmee probeer ik de wereld in de kerk te brengen. Ik probeer de lezingen uit de Bijbel te combineren met het werk van de vrijwilligers in de stad. Daarnaast begraaf ik mensen, doop ik kinderen, zegen ik huwelijken in. Dat zijn de Sacramenten die een diaken mag doen. Verder bezoek ik ouderen, zieken, verstandelijk gehandicapten. Ik doe de maandelijkse vieringen voor dak- en thuislozen en enkele keren per jaar de vieringen met verstandelijk gehandicapten. En ik heb ontzettend veel vergaderingen”.

Dat doe je zeker het liefst, hè, vergaderen?

“Nee, daar ben ik juist niet blij mee. We vergaderen soms veel te veel. Ik heb wat dat betreft al op de rem getrapt”. Hij gaat nog even verder met zijn takenpakket. “Daarnaast ben ik één dag per week bezig voor de Orde van Franciscanen. In het Roepingenpastoraat. Mensen die willen toetreden tot de Orde melden zich en ik heb gesprekken met ze. Daaruit moet naar voren komen of ze  geschikt zijn. Momenteel ben ik met vier kandidaten in gesprek. Vergis je niet: de weg is lang. Dat duurt wel vijf jaar. De laatste drie jaar zijn er drie ingetreden en daar gaat ’t goed mee”.

Praten met Hans van Bemmel gaat vanzelf. Eigenlijk is het vooral luisteren naar Hans van Bemmel. In de fraaie pastorie van de Maria van Jessekerk rijgen de volzinnen zich moeiteloos aaneen. Af en toe onderbroken door een telefoontje. De Donkere Dagen voor Kerstmis, voor Van Bemmel en de vele vrijwilligers zijn het vooral De Drukke Dagen voor Kerstmis. Mooi gezicht is dat, overigens. Van Bemmel, gehuld in een mooie pij, geroutineerd het mobieltje aan z’n oor dat hij opgewekt te luisteren legt. Voor het goede doel, dat spreekt. Dat, al zegt hij dat niet met zo veel woorden, eigenlijk met hoofdletters moet worden geschreven. Pastor Hans van Bemmel, dus. Minderbroeder bij de Orde van de Franciscanen. Bewust. Maar na een niet geringe (om)weg.

Van Bemmel (58) is Rotterdammer. En Feyenoord-supporter, zegt hij er in bijna één adem bij. “Al ga ik niet vaak meer. Meestal heb ik er geen tijd voor. Maar ik hou wèl goed bij hoe het met de club gaat”. Hij is dan wel geboren Rotterdammer, en hij woont er ook, maar: “Ik slaap er eigenlijk alleen. Ik ben meer in Delft. Ik heb bewust een scheiding aangebracht tussen wonen en werken. Ik ga met heel veel mensen in Delft om, ik moet ook op adem kunnen komen. Goed kunnen slapen. Dan is het goed dat ik ergens anders woon”.

Wat voel je je nou, Delftenaar of toch nog Rotterdammer?

Hans van Bemmel“Ik denk, op dit moment, meer Delftenaar. Maar als ik met emeritaat ga, met pensioen dus, ga ik, denk ik, wel weer naar Rotterdam terug. Maar de laatste zeven jaar voel ik me meer Delftenaar. In Delft ken ik ook meer mensen dan in Rotterdam”. Waar hij sinds 1980 weg was tot hij, anderhalf jaar geleden, in Delft neerstreek. Na tussenstops, vanwege werk en studie, in Dordrecht, Utrecht, Heerlen, Amsterdam, Eindhoven en Brussel.

‘IK WILDE CHEF WORDEN’

Van Bemmel was nog jong, herinnert hij zich, toen hij het al wist. “Ik riep al heel snel dat ik priester wilde worden”. Zó vreemd was dat nou ook weer niet: “Ik kwam uit een goed Rooms-Katholiek gezin”. Maar ook: “Ik had een vriend, die was Gereformeerd. Wij gingen al vroeg goed met Gereformeerden om, dat was in die tijd bijzonder”. Hij wilde dus priester worden en wel hierom: “Eigenlijk vanwege al het mooie in de kerk, de pracht en praal, de liturgie”. Ook dát weet hij nog goed: “Toen al spraken de Franciscanen me aan”. Hij vertelt dat hij naar het Klein Seminarie ging, in Katwijk aan de Rijn. “Maar ik merkte al gauw dat ik het helemaal niet leuk vond. Ik kreeg heimwee, ik kon ’s nachts niet slapen. Na iets meer dan een jaar ging ik terug naar m’n ouders, in Rotterdam. En ik wilde even niks meer met de kerk te maken hebben”. Hij ging naar de ULO, “Ik wilde banketbakker worden. Dat was eigenlijk best raar, maar ik ben toen keurig netjes naar de Banketbakkersschool gegaan. Ik kwam bij de HEMA, op het Beursplein in Rotterdam, terecht. Dat was halverwege de jaren zeventig”. Daar begon hij als banketbakker. Bakte er de wereldberoemde tompoucen en andere zoete broodjes. “Het enige wat ik toen wilde, was carrière maken. Heel gek, ja. Ik wilde chef worden”. Dat lukte hem. Binnen vier jaar was hij Banketbakkersleider, zoals dat toen zo mooi heette. In Dordrecht. Hij bleef ze zo bruin bakken dat hij bedrijfsleider werd in Barendrecht.

Zijn mobieltje rinkelt. En vast niet toevallig juist op dit moment. “Leuk hè, dat was de bakkerij in Barendrecht waar ik baas ben geweest. Twee keer paar jaar, met Pasen en met Kerst, geven ze broodjes voor de vieringen met dak- en thuislozen. Met die bakkerij heb ik nog steeds contact. Een aantal mensen dat daar werkt heb ik nog aangenomen”.

‘DAT IS GEEN RISICO’

Van Bemmel verkaste naar Utrecht. “Naar een megabakkerij. Daar werd ik Hoofd Planning. Vond ik wel een uitdaging. Moest ik de vrachtwagens regelen, grondstoffen inkopen, dat werk”.

Toen werd het 1985. En toen gebeurde het. “Ik ging weer naar de kerk. En nu regelmatig. Ik kwam iemand tegen die priesterstudent was. Het leek wel of het vlammetje weer ging branden. Ik moest weer aan vroeger denken. Ik stond op een breekpunt in m’n leven. Carrière maken, is dat het nou? Of moet ik wat anders?”. Lacht: “Ja, ik was veertig of zo, je kunt ’t ook de midlifecrisis noemen”. Hoe het ook zij: “Er kwam steeds meer in me los. Ik zou wel het klooster in willen. Niet dat het een moeilijke periode was, maar wel dat ik voor de vraag stond: Wat moet ik doen?” Hij besloot te kiezen voor wat je een proefperiode van een jaar zou kunnen noemen. Bij de Orde van de Franciscanen. “Ik dacht: Een jaar en dan kan je weer weggaan, dat is geen risico”. Aan de andere kant: “Ik had een goeie baan, een auto, een huis, ik verdiende goed, ik kon heel vaak op vakantie, daar zat ik ook wel mee. Ik heb tóch afspraken gemaakt met de HEMA, dat ik er een jaar tussenuit ging. Maar eigenlijk wist ik al dat ik niet zou terugkomen”. Hij ging het klooster in, in Heerlen. Kreeg daar van doen met de opvang van drugsverslaafden. En, heel belangrijk, hij koos met z’n volle verstand en z’n hele hart voor de Orde van de Franciscanen. Hij wijst naar een schilderij aan de muur van zijn werkkamer. “Dat is Franciscus en de melaatse”. En hij legt de link met zijn activiteiten voor drugsverslaafden. “Franciscus keek om naar de mensen die behoefte hebben aan warmte, aan genegenheid. Met die boodschap ging ik naar de drugsopvang. Als je door de ellende van die mensen heenkijkt, krijg je hun vertrouwen. Ze worden overal weggestuurd, maar als ze ervaren dat je het echt met ze meent, dan heb je ze”. Om een lang verhaal kort te houden: in 1999 ging Van Bemmel in Delft wonen en werken. “Het ideaal om priester te worden had ik niet meer. Ik wilde Minderbroeder Franciscaan worden, en dan diaken. Ik wilde opkomen voor de minder bedeelden. Ik had dat in mijn stages meegemaakt. Onder meer in Brussel, in een huis waar zo’n zestien meisjes tussen de zestien en de twintig jaar werden opgevangen. Meisjes uit Oekraïne en Rusland en zo, die onvrijwillig in de prostitutie hadden gewerkt. Dat had mij geraakt, daar wilde ik mee verder”.

Hij benadrukt nog eens dat Franciscus zijn Grote Voorbeeld was en is. “Franciscus leefde als een rijke koopman. Hij werd geraakt door de melaatsen. Hij zag dat die hem nodig hadden. Maar hij merkte óók dat hij de melaatsen nodig had. Ik leefde als een rijke bedrijfsleider. Toen ik voor het eerst verdwaalde in de drugsscene kwam ik in een hel. Ik dacht: Dit kán toch niet? Ik maakte mee wat Franciscus ook meemaakte. Ik werd geraakt door die ellende. Maar als je door de verslaving heenkijkt, zie je mensen die op zoek zijn naar liefde, naar aandacht, naar genegenheid. En ik dacht: Ik heb die mensen óók nodig”.

‘MAAR ER IS NOG WEL DEGELIJK GELOOF’

“Toen ik in Delft kwam”, vertelt hij, “dacht ik: Als ik eenmaal gewijd ben, is het eerste wat ik ga doen het organiseren van een viering voor dak- en thuislozen”. Het was Kerstmis 2003 dat hij de daad bij die gedachte voegde. “Dat was heel leuk, het werd een succes. Ik heb toen gezegd: Dat gaan we voortaan elke maand doen”. Van het één kwam het ander: de Voedselbank, de Non-Food Bank, de jongeren van M25 die het ‘geen woorden maar daden’ geestdriftig in praktijk brengen. “Veel heb ik opgezet in nauwe samenwerking met de Gereformeerde dominee Kees Maas en de vele vrijwilligers. Er is nu ook een Vakantiebank in oprichting. Dat is mooi, die interkerkelijke samenwerking. Dat eilandjesgedoe, dat moet afgelopen zijn”.

Trots is Van Bemmel ook op de jongelui van M25, wat staat voor Mattheüs 25. “Dat is een groep van zo’n 30 jongeren tussen de 14 en 17 jaar. Die jongeren kunnen na het Vormsel catechese doen of hun handen gebruiken. Dat laatste spreekt ze meer aan”. Dan, schalks: “Maar via een omweg komen ze tóch weer bij de catechese terecht…” Waar het echter om gaat: “M25 is er voor iedereen. Wat je ook bent, waar je ook vandaan komt. Als je maar de doelstelling onderschrijft. En ja, je kan óók meedoen als je niet gelovig bent. Natúúrlijk. Mensen helpen is niet alleen voorbehouden aan mensen die geloven”. Denkt hardop: “Ik hoop nog ’s mee te maken dat de eerste Islamiet zich bij M25 aansluit”.

We gaan het even over preken hebben, ook een niet onbelangrijk onderdeel van je werk. Verkondiging, dus. Waar haal je vandaan waar je het over wilt hebben?

“Van de straat. In de tram en in de bus. Ik begin m’n preek altijd met een actualiteit. Dan een stuk Bijbeluitleg. En op het eind: Wat kunnen we hiermee in 2007?” Rooms-Katholieke preken zijn (een stuk) korter dan Protestantse, zo leert de praktijk. “Het moet op twee A4’tjes kunnen. Zeven tot hooguit tien minuten. Dominee Visser, de bekende dominee uit de Pauluskerk in Rotterdam, preekte bij onze Kerstviering voor dak- en thuislozen. Ik heb ‘m gezegd: Je moet wèl op de Katholieke manier preken. Moest ie wel om lachen”.

Als je preekt en het bereikt de mensen niet, ze gaan zitten draaien en zo, zie je dat?

Hans van Bemmel“Ja. En dan wijk ik van m’n uitgeschreven tekst af. Al moet je dan wel oppassen dat je niet gaat lopen zwammen. Maar ik heb ook wel ’s dat ik een preek heb geschreven en dat ik denk: Dit is niks, en dat dan blijkt dat het mensen in de kerk wèl geraakt heeft”. Hij wil maar zeggen: “De mensen moeten zelf uit een preek halen wat ze willen. Een preek moet richting geven, moet de mensen aan het denken zetten. Ze moeten zelf met hun vragen aan de slag, ik kan ze geen uitsluitsel geven over hun vragen”. Noemt als voorbeeld van hoe je een onderwerp kunt actualiseren de Voedselbank. “Dat er in deze stad nog steeds mensen zijn die het heel slecht hebben en honger lijden. Ga maar ’s in de Poptahof kijken. Wat je daar soms achter voordeuren tegenkomt, dat heeft heel weinig met welvaart te maken”.

Intussen zegt Van Bemmel dat hij preken leuk vindt. Hij doet dat, twee keer per maand, in zes Delftse kerken. “Ik preek dus zo om de twee maanden in één van die kerken. De mensen hoeven dus niet te verzuchten: Heb je hèm weer met z’n diaconie. Ik hoef de mensen niet steeds met hetzelfde te vermoeien. Ik probeer ook niet om te evangeliseren. Dat wil ik ook niet. We moeten gewoon iedereen helpen, zonder iets terug te verwachten. Ik kan mensen ook niet veranderen. Dat moeten ze zelf doen. Nee, zieltjes winnen is er bij mij helemaal niet bij”.

Hoe staat het er eigenlijk voor met het geloven?

“Ik denk dat er heel veel geloof is in Nederland, heel veel religiositeit, maar dat de mensen dat niet meer binnen de structuur van de kerk zoeken. Dat vind ik heel jammer, want we hebben als kerk ontzettend veel te bieden. We hebben een prachtige spiritualiteit. De Bijbel is 2000 jaar oud, maar het lijkt of ie gisteren geschreven is. Ik denk dat het een golfbeweging is. We leven in welvaart, daardoor is er een tweedeling. Is er ontkerkelijking. De mensen denken de kerk niet meer nodig te hebben. Maar er is nog wel degelijk geloof. Er zijn tijden geweest dat we niet meer over God mochten praten. Dat mág tegenwoordig weer. Ook opvallend: in actualiteitenprogramma’s nodigen ze vaak bisschoppen uit om hun zegje te doen. En in deze tijd van het jaar zie je dat mensen toch iets zoeken van licht. Je ziet ook dat de verkoop van Kerststalletjes elk jaar stijgt. En dat er een stijgende lijn is waar te nemen in de bedevaarten”.

Hoe is het gesteld met het kerkbezoek in Delft?

“We mogen bepaald niet mopperen. De Maria van Jessekerk geeft zelfs een stijgende lijn te zien. Samen met priester Tjeerd Visser doen we daar hard ons best voor en dat werpt z’n vruchten af”.

Wat betekent Kerstmis voor jou?

 “De geboorte van Jezus. Hij is op aarde gekomen als onze redder. Wat gaf Jezus? Vrede. Ik hoop dat die vrede in Delft zichtbaar wordt. Dat we, gezamenlijk, als kerken en moskeeën het Licht in deze stad kunnen uitdragen. Maar mijn grootste wens is dat er vrede komt in de Surinamestraat. Dat mensen daar welkom zijn. Niemand heeft het recht om mensen te weigeren. Want in feite weiger je dan Christus”. (PB)

Foto’s: Marcel de Wit

webdesign: www.art-is.nl