Zonnelied
|
1. |
Allerhoogste, almachtige, goede Heer, van u zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen. |
| 2. | U alleen, Allerhoogste, komen zij toe en geen mens is waardig U aan te spreken. |
| 3. |
Wees geprezen, mijn Heer, door al uw schepselen vooral door mijnheer broeder zon die de dag is en door wie Gij ons verlicht. |
| 4. | En hij is mooi en straalt met grote pracht van U, Allerhoogste, draagt hij het teken. |
| 5. | Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren. Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi. |
| 6. | Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde, door wie Gij uw schepselen leven geeft. |
| 7. | Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water, die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis. |
| 8. | Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur door wie Gij voor ons de nacht verlicht; en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk. |
| 9. | Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster moeder aarde die ons voedt en leidt, en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten. |
| 10. | Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde vergiffenis schenken en ziekte en verdrukking dragen. |
| 11. | Gelukkig wie dat dragen in vrede, want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond. |
| 12. | Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood, die geen levend mens kan ontvluchten. |
| 13. | Wee hen die in doodzonde sterven; gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt, want de tweede dood zal hun geen kwaad doen. |
| 14. | Prijs en zegen mijn Heer, en dank en dien Hem in grote nederigheid. |

