WOORDEN VAN FRANCISCUS EN CLARA:
Mijn broeders maak ik mijn wil bekend, namelijk dat zij onze Vrouwe de heilige armoede steeds lief hebben en in ere houden.
Naamloos document

DEKEN ROESSTRAAT 13
3581 RX UTRECHT
T 030 232 40 80
F 030 232 40 81
E PROVINCIALAAT@FRANCISCANEN.NL

Woordenlijst

abdis overste van een contemplatief vrouwenklooster.
binnenpand binnenhof van een klooster (ook 'kloosterpand' genaamd).
cel de kleine kamer van een religieus in een klooster of de kleine behuizing van een kluizenaar.
clarissen zusters die in navolging van Clara van Assisi in een contemplatief klooster samenleven; in de tijd van Clara werden ze de 'Arme Vrouwen' genoemd.
communiteit lokale kloostergemeenschap (ook 'convent' genaamd).
completen liturgisch avondgebed; het laatste van de getijden van de dag.
conferentie 1. voordracht over punten van het geestelijk leven.
2. verzameling van een aantal provincies van de franciscanen; de gehele orde bestaat uit een aantal conferenties, verdeeld over de hele wereld.
congregatie 1. een na de Middeleeuwen gestichte gemeenschap van religieuzen die geloften  afleggen en volgens een bepaalde regel leven.
2. godsdienstige vereniging van leken die regelmatig met elkaar godsdienstoefeningen verzorgen.
contemplatie overdenken, innerlijk beschouwen.
convent lokale kloostergemeenschap (ook 'communiteit' genaamd).
conventuelen minderbroeders die in (oorspronkelijk grotere) conventen samenwonen; vanaf 1517 vormen zij een aparte tak van de eerste orde.
custodie regionaal verband van een aantal kloosters die nog geen zelfstandige provincie vormen.
custos overste van een custodie.
definitor(ium) de door het kapittel gekozen broeders die met de minister-provinciaal het provinciebestuur vormen.
derde orde gemeenschap van (al dan niet gehuwde en in hun eigen huizen wonende) leken naast de minderbroeders en de clarissen, die ook volgens een franciscaanse regel leven, waarop zij professie afleggen. Vaak gingen later sommigen van hen in kloostergemeenschappen samenleven en vormden zo een religieuze congregatie. Degenen die zelfstandig blijven wonen, vormen momenteel de Orde van Franciscaanse Seculieren.
eerste orde gemeenschap van de minderbroeders, momenteel verdeeld over drie takken: de conventuelen, de kapucijnen en de franciscanen.
Franciscaanse Beweging vereniging waarvan alle franciscaanse religieuzen en leken lid kunnen worden. Deze beweging ontplooit diverse activiteiten, verzorgt franciscaanse uitgaven en heeft een centraal dienstencentrum in 's-Hertogenbosch.
Franciscaanse Lekenorde zie derde orde.
franciscanen gemeenschap van minderbroeders die vanaf 1517 in feite de tussenrichting vormen tussen de conventuelen en de kapucijnen.
gardiaan overste van een communiteit van minderbroeders. 
gelofte binnen een kloostergemeenschap uitgesproken plechtige belofte zich aan een bepaalde levenswijze te binden. Gewoonlijk gaat het daarbij om drie geloften: armoede, gehoorzaamheid en ongehuwd leven.
generalaat het klooster in Rome waar de minister-generaal en het generale definitorium gevestigd zijn.
getijden de dagelijkse liturgische gebeden van de kerk; in kloosters worden deze gezamenlijk in het koor gebeden.
habijt kloosterkleed met koord en kap of sluier.
kanunnik priester die deel uitmaakt van het kapittel van een bisschoppelijke kathedraal of die met andere kanunniken deel uitmaakt van een kloostergemeenschap.
kapittel bijeenkomst op generaal en provinciaal niveau of van een communiteit om zaken van de gemeenschap te bespreken en vast te stellen.
kapucijnen minderbroeders die zich in 1517 van de anderen afscheidden om een strenger leven te kunnen leiden; zij vormen nu een zelfstandige tak van de eerste orde.
kloosterpand binnenhof van een klooster (ook 'binnenpand' genaamd).
kluizenaar iemand die afgezonderd van de rest van de wereld in een primitieve behuizing een contemplatief leven leidt. Franciscus wilde, dat de minderbroeders die voor een kluizenaarsleven kozen, met twee of drie zouden samenwonen.
knopen in het koord drie knopen in het koord van het habijt, die herinneren aan de drie geloften.
koor 1. zanggroep.
2. de plaats in een kerk waar de getijden gezamenlijk worden gebeden ('koorgebed'); meestal voor in de kerk vóór of achter het altaar.
lauden liturgisch ochtendgebed; het getijdengebed dat 's ochtends vroeg gebeden wordt.
metten liturgisch nachtgebed, dat rond middernacht gebeden wordt.
minderbroeders de mannelijke volgelingen van Franciscus binnen de eerste orde.
minister-generaal algemene overste van een van de takken van de eerste orde en minister-proviciaal.
minister- provinciaal overste van een minderbroedersprovincie.
moniale vrouwelijke religieuze binnen een contemplatieve kloostergemeenschap.
novice kloosterling in zijn/haar eerste proefjaar (het noviciaat).
orde een van de oudere gemeenschappen van kloosterlingen die geloften afleggen en volgens een bepaalde regel leven. 
penitent (letterlijk: 'boetedoener') Zo werden de eerste derde-ordelingen genoemd; later sprak met ook wel van 'tertiarissen'.
postulant een eventuele ordeskandidaat tijdens een periode van eerste kennismaking met het kloosterleven (postulaat), voorafgaand aan het noviciaat.
provincialaat het huis van waaruit een provincie bestuurd wordt; het centrale adres van een provincie.
provincie territoriale eenheid binnen de eerste orde. In Nederland vormen de franciscanen één provincie; grotere landen kennen meerdere provincies.
Portiuncula het aan Maria toegewijde kapelletje in de buurt van Assisi, waar Franciscus zijn roeping verstond, waar Clara zich bij de minderbroeders aansloot en waar de eerste minderbroeders hun kapittels hielden. Hier is Franciscus in 1226 gestorven. Later werd over het kapelletje een grote basiliek gebouwd.
professie het uitspreken van de geloften waarmee iemand zich aan een religieuze gemeenschap bindt.
refter eetzaal in een klooster.
regel het geheel van richtlijnen voor de levenswijze van leden van een orde of congregatie.
religieus 1. bijvoeglijk naamwoord: op godsdienst of kloosterleven betrekking hebbend.
2. zelfstandig naamwoord: lid van een orde of congregatie.
religieus instituut sinds het nieuwe Kerkelijk Wetboek van 1983 de gemeenschappelijke naam van een orde of congregatie.
stigmata
de wonden in handen, voeten en zijde van Christus aan het kruis. In 1224 had Franciscus een visioen op de berg La Verna, waarbij ook hij deze wondtekenen in zijn lichaam ontving.
tau-teken kruis in de vorm van een T (zonder bovenstuk), dat in de bijbel voorkomt als het merkteken van de Godsgetrouwen. Franciscus had een voorliefde voor dit Tau-kruis en gebruikte het wel bij zijn handtekening.
tertiaris lid van de derde orde (ook wel 'penitent' genaamd).
transitus letterlijk overgang) Het afsterven van Franciscus en de jaarlijkse herdenking daarvan op 3 oktober heeft in franciscaanse kringen deze naam gekregen.
tweede orde gemeenschap van de zusters clarissen.
Vereniging van broeder Frans een in de jaren tachtig van de twintigste eeuw in Nederland opgerichte vereniging van mensen die franciscaans willen leven zonder zich ook bij een van de franciscaanse ordes aan te sluiten.
vespers liturgisch avondgebed; het getijdengebed dat tegen de avond gebeden wordt.
vicarius plaatsvervangend overste.
vigilie 1. nacht- of avondwake.
2. dag van boete vóór een kerkelijke feestdag.
zonnelied lof- en danklied voor alle schepselen dat Franciscus enkele jaren voor zijn dood heeft gedicht.
webdesign: www.art-is.nl