Malik al-Kāmil - De onbekende sultan

donderdag 7 januari 2021

Tijdens de bijeenkomst in Abu Dabhi in de Verenigde Arabische Emiraten in 2019, toen de islam en het christendom elkaar de hand schudden, herinnerde paus Franciscus de wereld aan een andere ontmoeting: de ontmoeting van Sint Franciscus met de sultan van Egypte in het jaar 1219.
Na 800 jaar herinneren we ons deze ontmoeting. We willen het op een bijzondere manier doen: we willen de andere gesprekspartner benadrukken. Er werd weinig over hem geschreven, hij bleef vrijwel onbekend in de schaduw van de heilige van Assisi: Malik aI-Kāmil. Hij ontving Franciscus vriendelijk en liet hem daarna in vrede naar huis terugkeren. Wie was deze gesprekspartner?

Malik aI-Kāmil en de Ayyubid-dynastie
De naamgever van de familie gaat terug naar Shirkuḥ en zijn broer Aŷŷūb ibn Shādhi ibn Marwān. Ze waren van Koerdische afkomst en kwamen uit Aŷdamakān in Armenië. Ze sloten zich aan bij de troepen van Nūr ud-Dīn, die Aleppo en Damascus veroverde en daardoor Syrië verenigde in 1154. In 1153 heroverden de kruisvaarders Ascalon; ze zetten Egypte onder druk. Zijn twee generaals Shirkuḥ en Aŷŷūb overtuigden Nūr ad-Dīn om in Egypte in te grijpen. In 1164 veroverden ze Egypte.

De zoon van Aŷŷūb, Salāḥ ad-Dīn volgde de twee broers op in de regering van Egypte. In christelijke bronnen staat hij bekend als "Saladin" en de kalief van Bagdad benoemde hem tot sultan van Egypte.

De spanning tussen Nūr ad-Dīn en Salāḥ ad-Dīn nam gestaag toe. In 1174 leidde Nūr ad-Dīn een veldtocht tegen Egypte: hij stierf onderweg daarnaartoe. Salāḥ ad-Dīn had de overhand tegen de elfjarige opvolger en won de steun van de Syrische generaals voor zichzelf zonder een bloedig conflict.

Salāḥ ad-Dīn ibn Aŷŷūb wordt historisch erkend als de ware grondlegger van de Ayyubid-dynastie. Zijn nakomelingen regeerden over Syrië, Palestina, Jordanië, Boven-Mesopotamië, Arabië, Jemen en Egypte gedurende de 12e en 13e eeuw.

In deze periode volgden de sultans uit deze familie elkaar op in Damascus en Caïro. In Egypte heerste de sultan Malik al-'Adil, de broer van Saladin en vader van Malik al-Kāmil. Als prins en onderkoning speelde Malik aI-Kāmil een zeer actieve rol in de regering. Al-'Ȧdil stierf in 1218 tijdens de belegering van de stad Damiette, wiens verdediging onder bevel stond van al-Kāmil. Na zijn dood werden de Ayyubid-territoria verdeeld tussen de drie zonen. al-Kāmil regeerde als sultan van Egypte, onder hem de twee broers, al-Mu'āẓẓam als heerser van Damascus en al-Asraf Mūsā als heerser van Mesopotamië met zetel in de Ḥarram.

De relatie tussen de drie broers was niet bepaald harmonieus. Er waren onenigheid en botsingen. Bovenal kreeg al-Mu'āẓẓam van Damascus steeds meer macht, zodat hij als een bedreiging voor Egypte werd. Al-Kāmil echter, als de enige erkende sultan van Egypte, had het oppergezag over zijn broers. Hij nam ook het initiatief in diplomatieke betrekkingen met de Latijnse koninkrijken in het Midden-Oosten. Toen hij stierf in 1238, volgden zijn twee zonen hem op, al-'Ādil II in Syrië en Sāliḥ al-Aŷŷūb in Egypte.

Malik aI-Kāmil en de westerse christenen
Na de val van Jeruzalem in 1187 stond Saladin christenen toe de stad te verlaten, maar alleen tegen betaling. Balian van Ibilín en de patriarch van Jeruzalem betaalden zelf de prijs voor het vertrek van ongeveer 10.000 christenen. Al-'Ādil, de vader van Malik aI-Kāmil, betaalde ook de vergoedingen voor ongeveer 5.000 christenen als een werk van barmhartigheid en uit dankbaarheid dat Allah het hem mogelijk had gemaakt om de stad te veroveren.

Toch bleven veel christenen binnen de stadsmuren. In deze periode waren de christenen nog in de meerderheid. Huidig ​​onderzoek bevestigt de christelijke meerderheid in Palestina tot de 14e eeuw. Saladin en al-'Ādil hadden niet alleen te maken met de Latijnen in het land, maar ook met de Latijnen op de Middellandse zee. De vloten van de koninkrijken van de kruisvaarders en vooral de vloten van de Italiaanse maritieme republieken achtervolgden de moslimheersers keer op keer. Om dit gevaar af te wenden, liet Saladin de fatimí-vloot herbouwen. De militaire uitgaven werden erg hoog en verzwakten de financiën van het rijk zo, dat faillissement dreigde. Van zijn kant probeerde al-'Ādil een milder beleid te voeren: hij sloot een overeenkomst met Venetië waarin hij Venetië handelsprivileges verleende, zoals het gebruik van havens in Syrië en Egypte en de opening van consulaten in verschillende Arabische steden. Venetië, aan de andere kant, had zich ertoe verbonden kruisvaarderstroepen niet naar Egypte te verschepen.

Al-'Ādil en zijn zoon Malik al-Kāmil hadden een beleid van goede relaties met de kruisvaarders. Koning Richard Leeuwenhart zou Malik aI-Kāmil toen hij elf jaar oud was de titel van ridder hebben gegeven als teken van de goede relatie.

Vanwege deze goede relaties werd Egypte gevrijwaard van strijd in de door paus Innocentius III in 1202 uitgeroepen vierde kruistocht. Op dat moment was aI-Kāmil 22 jaar oud. Hij was al actief in het regeringsbeleid van zijn vader en bereidde zich voor om hem op te volgen.

De kruistocht was een moeilijke onderneming, met als grootste probleem het transport van troepen: 4.500 ridders, 9.000 schildknapen en 20.000 infanteristen. Om dit probleem op te lossen, liet Enrico Dandolo, de "eerlijke" doge van Venetië, een vloot van 50 galeien bouwen en hij beloofde ook het onderhoud van het leger gedurende deze tijd te betalen. Hiervoor zou hij 85.000 zilvermarken ontvangen en de rechten op de helft van de buit. Een overeenkomst werd getekend.

De vloot werd in juni 1202 voltooid. Maar aangezien de kruistroepen merkbaar kleiner waren geworden, kon het verschuldigde geld niet worden opgebracht. Venetië gaf de vloot niet vrij zonder volledige betaling. Er werd een machiavellistische oplossing bedacht, namelijk om de havenstad Zara (nu Zadar) van koning Emmerik (Imre) van Hongarije te ontrukken en over te dragen aan Venetië.

De doge Enrico werd plotseling geconfronteerd met de onverwachte beslissing om Constantinopel binnen te vallen. Zonder lang na te denken leidde hij — bijna blind en op 70-jarige leeftijd — zelf de troepen van Zara naar de Gouden Hoorn. In het collectieve geheugen van het oosterse Christendom staat deze gebeurtenis tot op de dag van vandaag als het verraad van Venetië gegrift.

De kruisvaarders veroverden, plunderden en vernietigden Constantinopel. Het Latijnse rijk werd gesticht en de Egeïsche eilanden kwamen onder Venetiaans bestuur. Toen Enrico Dandolo stierf, werd hij in de Hagia Sophia begraven. De kruisvaarders bereikten Egypte nooit, omdat het voor Venetië beter was om op Griekse bodem te blijven dan om de handelsovereenkomsten met de moslims in gevaar te brengen.

Twaalf jaar later riep paus Innocentius III op tot een nieuwe kruistocht. Hij stierf echter in 1216. De vijfde kruistocht werd daarom door zijn opvolger Paus Honorius III uitgevoerd. Het historische afloop is bekend; het is alleen belangrijk hier te vermelden dat de kruisvaarders in 1217 met eigen middelen het Heilige Land binnenvielen vanuit verschillende landen zoals Hongarije, Oostenrijk, Frankrijk en Italië. Maar ze waren niet erg succesvol, dus keerden ze zich tegen Egypte; ze geloofden dat de verovering daarrvan de toegang tot Jeruzalem zou openen. Dus kwamen ze in 1218 tot aan de Nijldelta en belegerden de stad Damiette. Het was in deze tijd dat al-'Ādil stierf en al-Kāmil werd op grond van zijn ambt sultan.

Daarna volgden de bekende gebeurtenissen: de jonge sultan veroorzaakte grote schade. Er waren duizenden doden onder de christelijke troepen. Op 29 augustus 1219 werd een wapenstilstand ondertekend die tot 26 september duurde. Tijdens deze wapenstilstand ontmoette St. Franciscus sultan Malik al-Kāmil. Zonder deze ontmoeting zou de vijfde Kruistocht de geschiedenis zijn ingegaan als een van de grootste rampen in het christelijke Westen. Tegelijkertijd toonde Europa zich verdeeld; de heersers streefden hun eigen belangen na en dachten alleen aan zichzelf en hun eigen glorie in plaats van aan het bevrijden van de heilige plaatsen.

Damiette werd op 5 november van dit jaar veroverd door de kruisvaarders. Malik aI-Kāmil bood de kruisvaarders in ruil voor Damiette Jeruzalem en het relikwie van het Heilige Kruis, die hij eigenlijk niet had, aan. De kruisvaarders weigerden, in plaats daarvan trokken ze met alle macht naar Egypte. In Egypte echter werden de stuwdammen van de Nijl ter verdediging afgebroken om de Nijldelta onder water te zetten. Het christelijke leger vluchtte in verwarring, waardoor het een gemakkelijke prooi werd voor de moslimtroepen. De overlevende kruisvaarders verklaarden zich overgegeven en bereikten een wapenstilstand, die acht jaar duurde.

Aan het einde van de onderhandelde vrede, stelde al-Kāmil een nieuwe overeenkomst voor aan keizer Frederik II. De keizer was getrouwd met de dochter Jan van Brienne, Isabella II en droeg de titel "Koning van Jeruzalem".

In 1229 werd een vredesakkoord van tien jaar ondertekend door beide heersers. Al-Kāmil bood het bestuur van Jeruzalem en andere heilige plaatsen aan. De toegang tot de stad zou verboden worden voor moslims en joden, met uitzondering van het bezoeken van de joodse gebedshuizen en islamitische heiligdommen: al-Aqsā en Rotskoepel. De sultan stond niet toe dat de stadsmuren werden herbouwd, zodat Jeruzalem nooit meer een fort of een strategisch en politiek centrum zou worden.

Leren om een ​​sultan te zijn
Malik Al-Kāmil had als 20-jarige al geleerd dat goud machtiger is dan welk leger dan ook. Maar ook dat vrede waardevoller is dan al het goud in de wereld. Eenmaal op de troon voerde hij dit vredesbeleid uit en onderhield hij goede relaties met Jan van Brienne, de koning van Jeruzalem.

Al-Kāmil was zeer vertrouwd met de hebzucht van de Italiaanse handelsrepublieken, vooral de buitensporige hebzucht van Venetië. Hij had ervaren hoe Genua en Pisa uit Constantinopel werden verdreven en dat hun toegang tot de oostelijke Middellandse Zee onder de macht van de Serenissima (de Republiek Venetië) beperkt was. Hij wist dat het uitrusten van een grote vloot die Venetië militair had kunnen trotseren onmogelijk was, of in ieder geval extreem duur. Zo'n onderneming zou, zoals eerder bij Saladin, tot een faillissement hebben geleid. Daarom concentreerde Al-Kāmil zijn oorlogsvloot op de controle van Jemen en de Arabische kust. Ondertussen tolereerde hij de handelsuitbreiding van Venetië om zijn neutraliteit te tonen en een invasie te voorkomen.

Al-Kāmil leerde veel van zijn politieke ervaringen tussen confrontatie en diplomatie. Maar hij kon ook zijn eigen beslissingen nemen.

Hij kende de islamitische wet, de interpretatieregels van de islam en reciteerde de koran. Hij had ook kennis van andere religies. Toen Saladin naar Egypte kwam, waar zijn vader al-Ādil nog regeerde, stond de samenleving onder invloed van het vorige sjiitische kalifaat van de Fatimiden. Al-Kāmil had de soennitische orthodoxie in Egypte en Jemen hersteld. Sommige kroniekschrijvers uit zijn tijd, zoals al-Maqrīzī, zeiden over hem: "Al-Kāmil hield van de geleerden (van de Koran) en hoorde van hen de tradities van de Profeet; en hij leerde er zelf enkele [...] het is dankzij hem dat de al-Kamiliyah-scholen werden gebouwd om de traditie in Cairo te bewaren."

Dankzij de houding van zijn vader groeide aI-Kāmil op in een samenleving waarin joden en christenen werden gerespecteerd, hun eigen culturele en religieuze gebruiken en tradities mochten handhaven en zelfs openbare ambten bekleedden. De meerderheid van de oosterse en orthodoxe christenen (Melkieten, Armeniërs, Georgiërs, Syriërs, Ethiopiërs, Kopten of Grieken) voelden dat ze deel uitmaakten van hun staat en vreesden de komst van de kruisvaarders, vooral in Damiette. Op basis van wat er is gezegd, kan worden gezegd dat aI-Kāmil een goede monarch was die goed financieel beheer schiep, voor orde en sociale vrede zorgde en de eenheid onder de bevolking handhaafde ondanks etnische en religieuze verschillen. Hij weerde twee invasies met succes af en liet zijn zonen een vergroot koninkrijk na.

Benadrukt moet worden dat zijn politiek altijd pacifistisch is geweest en open stond voor dialoog en ontmoeting. Aangenomen mag worden dat het succes van de ontmoeting met Franciscus vooral aan hem te danken is.

Al-Kāmil en de Egyptische christenen
Al-Kāmil genoot een goede reputatie onder christelijke kopten in Egypte vanwege zijn tolerantie en rechtvaardigheid; hij luisterde naar hun zorgen en behoeften en was een rechtvaardig rechter. De Koptische kronieken uit deze periode getuigen van deze eigenschappen: ze zeggen dat hij zeer goed geïnformeerd was over de interne aangelegenheden van christenen en dat hij ook hun eigen beslissingen respecteerde.

De Kopten waren en zijn nog steeds de vroegchristelijke bevolking van Egypte. Ze zien zichzelf als de nationale kerk van Egypte, die volgens de traditie werd gesticht door St. Marcus. Ze hebben een enorm rijke Joods-Alexandrijnse traditie met faraonische, monarchale en ook gnostische elementen.

Volgens veel onderzoekers vormden de Kopten tot laat in de 14e eeuw de meerderheid van de Egyptische bevolking. Ten tijde van Al-Kāmil vormden ze ook de meerderheid in Opper-Egypte. Er bevonden zich onder hen eenvoudige boeren, handelaars, ambachtslieden. Maar ook ambtenaren, de dawāwīn (een soort klerk) in verschillende openbare ambten, vooral in het belastingkantoor (Dīwān al-māl) of in het leger (Dīwān al-ŷayš) De kopt Sima'an ibn Kalil ibn Maqarah diende als een hooggeplaatste dīwān direct onder Saladin. Veel van deze "Dīwāwīn" waren niet alleen werknemers van de sultan, maar ook zijn emirs.

Deze periode was zeer gunstig voor de Koptische gemeenschap en wordt beschouwd als de "Gouden Eeuw" van de Koptische Arabische literatuur. De christelijke literaire productie nam op alle gebieden toe: in het burgerlijk recht. in de theologie, bijbelcommentaren, enz. Dit veroorzaakte een aanzienlijke groei van het Koptisch-Egyptische kloosterleven tijdens de Ayyubid-periode. De aandacht en empathie van de sultan ten opzichte van zijn christelijke dienaren is vooral duidelijk in twee episodes van de Koptische Kerkgeschiedenis.

Het vacante patriarchaat in Alexandrië
Het eerste geval deed zich voor in het begin van 1216 toen de patriarch van Alexandrië, Yuḥannā VI stierf. Er was een zekere institutionele chaos geweest in de hiërarchie van de Koptische Kerk, onder meer veroorzaakt door partijdigheid en persoonlijke belangen. Na de dood van de patriarch kon de synode het niet eens worden over een ​​gemeenschappelijke kandidaat-opvolger, zodat het patriarchaat van Alexandrië vacant bleef. De krachtigere en ambitieuzere onder de kandidaten was Dā'ūd ibn Yuḥannā ibn Laqlaq al-Fayyūmī, een binnen de synode goed gepositioneerde monnik. Maar hij had niet de steun die nodig was om de verkiezingen te winnen. De groep die hem steunde vroeg Sultan al-'Adīl om zijn erkenning, aangezien de heerser, volgens de wetten in het Oosten van die tijd, de nieuwe patriarch moest erkennen. De sultan willigde dit verzoek in en ondertekende een benoemingsverklaring. Velen waren verontwaardigd over deze benoeming van Dā'ūd ibn Laqlaq. De tegenstanders verzamelden zich met een grote menigte in Caïro en vroegen al-Kāmil om in te grijpen. In feite, volgens haar eigen canonieke traditie, mocht niemand als patriarch worden erkend zonder de toestemming van de gelovigen per acclamatie. De volksacclamatie was de normale juridische procedure om een ​​patriarch te kiezen. Al-Kāmil zag de aanwezige menigte en verklaarde dat de herkenning van ibn Laqlaq had plaatsgevonden zonder volksacclamatie.

Bijzonder vermeldens waard is, dat Dā'ūd ibn Laqlaq op die dag tot patriarch zou worden gewijd. al-Kāmil ging naar zijn vader en overtuigde hem om de wijding onmiddellijk af te blazen. In de daaropvolgende jaren werd er geen kandidaat gevonden met de nodige steun van de christelijke gemeenschap; als gevolg daarvan bleef het patriarchaat bijna twee decennia vacant. Gedurende deze tijd kon er in de Koptische Kerk geen bisschops- of priesterwijding worden verleend. Geleidelijk nam de verveling zelfs in de hiërarchie toe. Uiteindelijk accepteerden de Kopten de keuze van Dā'ūd, die toen werd gewijd als Cyrilus III ibn Laqlaq (1235-1243); Malik al-Kāmil was sultan in 1235 en erkende hem.

Het geval van bekering en reconversie
Een tweede geval toont duidelijk de positieve houding van al-Kāmil en zijn interesse in de zaken van christenen aan.

Het is een heikel geval, dat rond het jaar 1212 plaatsvond. Toen al-Kāmil nog geen sultan was, had een Koptische monnik zich tot de islam bekeerd; later vroeg hij om reconversie tot het christendom; al-Kāmil keurde dit goed. De christelijke bronnen uit deze periode stellen al-Kāmil als een rechtvaardige heerser jegens niet-moslims voor, maar vooral als bijzonder attent jegens de Koptische monniken. Volgens recent historisch onderzoek kwamen bekeringen van christenen tot de islam en hun daaropvolgende terugkeer tot het christendom vaker voor dan eerder werd gedacht. Bekering tot de islam bracht verschillende voordelen met zich mee, waaronder: de vrijstelling van de dimma (belasting van christenen) en extra financiële voordelen voor de moslims. Veel van de conversies waren niet eerlijk; dat wil zeggen het gebeurde niet op basis van religieuze overtuiging. Daarom waren reconversies niet ongewoon. Het "Verhaal van de patriarchen" vertelt hoe een monnik genaamd Yuḥannā, die behoorde tot het klooster van St. Makarios, zich bekeerde tot de islam in aanwezigheid van al-Kāmil. AI-Kāmil was in die tijd de onderkoning van Egypte. Na zijn bekering verleende hij hem een ​​ambt in het bestuur. Drie jaar later verscheen Yuḥannā voor al-Kāmil en vroeg hem om reconversie naar het christendom omdat hij terug wilde naar het kloosterleven. Logischerwijs veroorzaakte dit veel ergernis, want volgens de islamitische wet werd afvalligheid van de islam bestraft met de dood. Yuḥannā had eigenlijk iets bijna onmogelijks gewaagd: de islamitische heerser toestemming vragen zich te herbekeren.

Opgemerkt moet worden dat de ayyubiden in dergelijke gevallen altijd een traditionele tolerantie hadden. Volgens Latijnse bronnen moest de filosoof Mošeh ben Miamon (Maimonides) uit Cordoba een bekering tot de islam faken vanwege de onverdraagzaamheid van de Almohaden toen hij in de Marokkaanse stad Fez woonde. Toen hij terugkeerde naar Caïro, woonde hij daar weer als een belijdend Jood. Een Maghrebi in Caïro herkende hem en beschuldigde hem van afvalligheid. De ayyubiden, die onder Saladin over Caïro regeerden, spraken hem vrij van alle schuld, aangezien hij zijn overtuigingen moest verbergen, zodat hij aan de doodstraf kon ontsnappen.

Net als zijn voorgangers wilde al-Kāmil de bekeerling niet de doodstraf opleggen; hij beweerde dat de bekering plaatsvond zonder voldoende basiskennis van de islam; na drie jaar had hij geen innerlijke motivatie om in het nieuwe geloof te blijven. Dus mocht hij terugkeren naar het kloosterleven. Het is zeer waarschijnlijk dat al-Kāmil de bekering niet alleen toestond als een terugkeer naar het christendom, maar alleen in het geval van een rentree naar het kloosterleven. Op deze manier wilde hij geen precedent scheppen; met deze uitzondering beperkte hij zichzelf tot de monniken. Voor al-Kāmil hadden de aangelegenheden van christenen een speciale plaats onder zijn interesses en bezigheden en daarom genoot hij een goede reputatie als rechtvaardige rechter onder christenen.

De sultan en de heilige
Laten we nu onze blik richten op het jaar 1219, in het bijzonder op de 27-daagse wapenstilstand van 29 augustus. Tot dan was de regel: wie de sultan het hoofd van een kruisvaarder presenteerde, ontving een bezant (bizancium), een gouden munt. Broeder Illuminatus en broeder Franciscus van Assisi gebruikten de wapenstilstand om vijandelijk gebied binnen te komen. Ze werden daar gearresteerd; ze vroegen om voor de sultan te worden gebracht.

In de "franciscaanse bronnen", namelijk in de eerste biografie van Thomas von Celano (1 C 57), de Legenda Maior Bonaventuras (LM 9,8), de brief van de toenmalige bisschop van Acre, Jakob von Vitry (ca.32.14) , de kroniek van Ernoul (Ern 37), een kroniekschrijver van de vijfde kruistocht en andere latere auteurs wordt deze gebeurtenis genoemd. Maar onze aandacht gaat uit naar de man die Franciscus gastvrij verwelkomde. Laten we proberen hem beter te begrijpen. We laten daarom de citaten uit de franciscaanse bronnen buiten beschouwing.

Franciscus werd voor Malik al-Kāmil gebracht. De twee mannen hadden een gesprek met elkaar. Hier kunnen we ons afvragen: in welke taal konden ze beiden communiceren? Het wordt nergens genoemd. Werd er wat Arabisch gesproken? Broeder lluminatus zou minstens twee jaar in Akko hebben verbleven, zodat hij misschien een basiskennis van de Arabische taal had. Maar misschien is ook een andere verklaring mogelijk: de sultan sprak enkele Romaanse talen, misschien een Italiaans dialect vanwege de handelsbetrekkingen met Venetië. Natuurlijk kan ook de Franse taal worden overwogen, aangezien Malik al-Kāmil verschillende betrekkingen met Jan van Brienne had. Van zijn kant zou het mogelijk zijn geweest dat Franciscus Frans kon spreken, aangezien hij in zijn jeugd heroïsche liederen in het Frans zong, zijn vader in de lakenhandel met Frankrijk had gezeten en zijn moeder "Madonna Pica" blijkbaar uit de regio Picardië kwam en wmet haar zoon Frans kon spreken.

In een gesprek zal waarschijnlijk een uitwisseling van bedoelingen of meningen hebben plaatsgevonden: Franciscus had graag gezien dat de sultan zich tot het christendom bekeerde; de sultan van zijn kant zou dit hebben geweigerd; en vice versa, vanuit het oogpunt van de sultan, had het ook zo moeten zijn. Volgens de verhalen zou Franciscus een ordaal (vuurproef) in gesprek hebben gebracht. Hij stelde voor om een ​​groot vuur aan te steken. Zoals in het verhaal van de drie jonge mannen die door koning Nebukadnezar in een gloeiende vuuroven werden gegooid, wilde hij met enkel moslimgeestelijke het vuur in. Als God hem zou redden, dan moest dat worden opgevat als een bewijs van het ware geloof.

Zo'n radicaal voorstel had Franciscus zichzelf niet mogen laten doen. De vuurproef of ordaal was in die tijd door de kerk verboden en werd bestraft met excommunicatie. Door Bonaventura wordt over Franciscus gezegd: "Superno illustratus oraculo" (Legenda Maior IX, 8), dat wil zeggen "Franciscus sprak verlicht door een instructie van God." Sint Bonaventura wist vast niet dat er een soortgelijk verhaal onder andere omstandigheden en met andere hoofdrolspelers uit de beginjaren bestond.

Het ordaal van Mohammed
Het was het jaar 630. De veroveringsstrijd en de verspreiding van de islam waren op dat moment nog niet begonnen. Mohammed moest eerst zijn heerschappij over de Arabische stammen consolideren. Daartoe stuurde hij gezanten met brieven over de hele regio. Ze kwamen ook naar de stad Nayrān in Jemen. In deze stad was een grote bloeiende christelijke gemeenschap. De gemeenschap stuurde een delegatie naar Medina om Mohammed te ontmoeten. Deze delegatie bestond uit zeventig man. Veertien van hen bekleedden belangrijke functies: 'Abdu-l-Masīḥ, ('Āqib of gouverneur), al-Ayhman, (Sayyīd of Gerechtsdeurwaarder) en natuurlijk was de bisschop Abū Ḥārita ibn 'Alqama ook mee. Toen ze in Medina aankwamen om Mohammed te ontmoeten, was de profeet aan het bidden in de moskee van de stad. Volgens de kronieken die deze gebeurtenis rapporteerden, betraden de afgezanten van Naŷrān de moskee: ze waren zeer luxueus gekleed en versierd met gouden edelstenen. Mohammeds metgezellen waren verbaasd. Alleen Abū Ḥārita ibn 'Alqama, 'Abdu-l-Masīḥ en al-Ayhman spraken met Mohammed. Het verslag van deze ontmoeting is ook te vinden bij andere auteurs: de afgezanten kwamen de moskee binnen, prachtig gekleed, waar Mohammed aan het bidden was; de profeet zou hebben geweigerd ze te ontvangen zolang ze niet van hun prachtige kledij afzagen en alleen zouden verschijnen als nederige, godvruchtige mensen. Daarna predikte de profeet Mohammed tot hen en nodigde hen uit om zich tot de islam te bekeren. De christenen vroegen hem: "Wie denk je dat Jezus is?" De profeet antwoordde: "Jullie mogen vandaag in de stad blijven en later, als jullie uitgerust zijn, zal ik mijn antwoord op al jullie vragen geven."

De volgende dag reciteerde de profeet de volgende verzen uit de koran:
"Voorwaar, Jezus is voor Allah zoals Adam; Hij schiep hem uit aarde, daarna zei Hij tegen hem: 'Wees!' en daar was hij. (Dit) is de waarheid van uw Heer; wees daarom geen van de twijfelaars." (Koran 3: 59-60).

Vanwege de onenigheid stelde Mohammed voor om een ​​al-mubāhala uit te roepen. Al-mubāhala betekent letterlijk "vloek". Volgens de islamitische traditie is dit de vorm van een oplossing voor religieuze conflicten. Als er geen overeenstemming kan worden bereikt in een geschil over religie of overtuiging, moeten beide partijen samen tot God bidden. God moge dan zijn vloek uitspreken over degenen die verkeerd argumenteerden. Dat komt overeen met een ordaal.

'En als iemand over hem of haar ruzie maakt nadat de kennis bij jou is binnengekomen, zeg dan: 'Kom hier, laten we onze zonen en uw zonen, onze vrouwen en uw vrouwen en onze ziel en uw ziel bellen. Dan willen we bij Allah pleiten en de leugenaars straffen met de vloek van Allah '"(Koran, 3:61)

De dag ervoor hadden de profeet en de delegatie afgesproken om het ordaal op een plaats in de woestijn buiten de stad uit te voeren. Mohammed selecteerde vier mensen: zijn dochter Fatima, zijn schoonzoon 'Alī met hun twee kinderen Ḥasan en Ḥusaīn. Afgezien van deze, mocht niemand anders hen vergezellen aangezien er geen andere persoon zo puur en diep religieus was als deze vier. Mohammed liep glansrijk van zijn huis naar de plaats. Hij droeg Ḥusaīn in zijn armen en naast hem liep Ḥasan. Fatima en 'Ali volgden hem. Hij had hen op voorhand verteld: "Als ik mijn woorden uitspreek, moet je 'amīn' zeggen. De leiders van de delegatie hadden onder elkander gezegd, voordat ze de profeet ontmoetten: "Wanneer Mohammed arriveert geëscorteerd door zijn commandanten en soldaten, betekent dit dat hij ons alleen zijn wereldse macht wil laten zien, dat hij zijn profetische missie wantrouwt en niet trouw is aan de waarheid. Maar als hij eenvoudig en met de kinderen overkomt, dan is hij een ware profeet die trouw blijft aan zijn missie en zozeer op God vertrouwt dat hij dat ook noch voor zijn leven noch dat van zijn dierbaren vrezen moet."

Terwijl de leiders van de delegatie nog aan het praten waren, kwam de profeet "met een stralend en mooi gezicht"; vier mensen vergezelden hem als drie takken van zijn levensboom. Ze keken elkaar verbaasd aan. Ze waren geroerd door de aanwezigheid van zijn twee kleinkinderen en zijn lieve dochter. Ze zagen dat dit bevestigde dat de profeet een man van God was met een vast geloof. Anders had hij zijn dierbaren niet aan Gods vloek blootgesteld.

De bisschop zei: "Hier zie ik mensen aan wie God alles zou geven, zelfs als ze hem met opgeheven handen zouden vragen om de grootste bergen op aarde te verzetten. Het is niet goed als we het ordaal met deze deugdzame mensen vervolgen; het is niet onwaarschijnlijk dat we allemaal zullen sterven en dat de vloek over alle christenen op de hele wereld zal komen, zodat er geen enkele christen over zou blijven. Mohammed toonde de kracht van zijn geloof en zijn overtuiging was sterker dan die van de christenen van Naŷrān." Uiteindelijk sloten de christenen met hem een ​​overeenkomst waarin ze zich verplichtten tot de dimma-belasting.

De medebroeder is nu de deugdzame gelovige
Laten we terugkeren naar de ontmoeting tussen de heilige Franciscus en de sultan. Deze verhalen over Mohammed zijn erg belangrijk in de islamitische traditie. Daarom is het belangrijk om te benadrukken, dat toen de heilige Franciscus al-Kāmil ontmoette, al-Kāmil het ordaal van Franciscus niet accepteerde. Hij weigerde Franciscus in het vuur te laten gaan en zijn geloof tegenover het geloof van de moslims te bewijzen. Het zou kunnen dat er een al-mubāhala plaatsvond. Dus brak hij elke discussie af. De sultan wilde niet dat God Franciscus zou straffen en vervloeken. Franciscus kon gewond uit de vuurproef komen en zijn metgezel evenzo.

Franciscus verscheen niet in prachtige kleding voor hem, niet versierd met zijde en goud, maar als een man van God, bescheiden gekleed, op blote voeten en arm. Hij kwam niet met een delegatie van zeventig mensen, hij had geen troep soldaten. Hij kwam alleen met een geliefde minderbroeder, broeder Illuminatus, die net zo arm was als hij. De sultan besefte waar het over ging. Degene die deze keer deugdzaam en met een stralend en mooi gezicht kwam, was de christelijke monnik Franciscus, overtuigd van zijn geloof, zoals Mohammed in 630. Daarom weigerde hij de vuurproef; voor al-Kāmil was de man vóór hem een ​​ware gelovige. Volgens christelijke bronnen vroeg hij om een ​​gemeenschappelijk gebed te uit te spreken. Ze baden voor elkaar en namen in vrede afscheid. De sultan liet de broeders gaan. Ze konden beslist niet alles begrijpen, omdat ze het verhaal van de delegatie uit Narān niet kenden.

De eer dat deze ontmoeting plaatsvond en goed eindigde, wordt meestal aan Franciscus toegeschreven, alsof al-Kāmil slechts een toeschouwer was. Maar de sultan ontving Franciscus; hij zette daarmee zijn eigen geloofwaardigheid bij zijn gevolg op het spel. Hij luisterde naar hem en wilde hem waardevolle geschenken geven, die de Poverello weigerde. De sultan herkende in hem een ​​ware gelovige en iemand die door God werd bemind. Hij redde hem van het ordaal en liet hem in vrede naar huis gaan.

Deze buitengewone ontmoeting heeft zijn stempel gedrukt op het leven van de heilige Franciscus. Hij was van het diepe geloof en de inspanningen voor vrede van de sultan overtuigd. Ze veranderde zijn kijk op de moslims zo sterk dat hij in 1221 een hoofdstuk "Van degenen die onder de Saracenen en andere ongelovigen gaan" aan de Regel toevoegde. Hij spoorde zijn medebroeders aan in vrede te leven onder de moslims.

Deze ontmoeting van twee gelovigen, een christen en een moslim, vond 800 jaar geleden plaats. Het waren twee vrije mensen die elkaar respecteerden en samen het werk van God erkenden. Het is een voorbeeldig precedent voor vredestichting.

Dit artikel van Aquilino Castillo ofm is in 2020 in het Duits vertaald door Jouquin Garay ofm  en verschenen in het tijdschrift Im Land des Herrn. De vertaling van het Duits naar het Nederland gedaan door Hans-Peter Bartels ofm.

 

webdesign: Artis.